De Zuid-Hollandse tak van de familie van Katwijk in Rotterdam

Frans Gerritsz van Katwijk en Margaretha Bijl vertrekken vrijwel direct na het huwelijk op 27 december 1809 te Schiedam naar Delfshaven. Lang zijn zij daar niet verbleven en zijn wederom op 14 mei 1810 verhuisd naar een huis op de Broederslaan onder Cool, ofwel in het ambacht Cool in Rotterdam. Frans vind een baan als molenaarsknecht bij een van de molens in de omgeving. Frans en Margaretha kregen elf kinderen waarvan de meeste in Rotterdam zich vestigde. Alleen de huwelijkspartner van Arij Pieter (1822-1884), Maaike Rombout verhuisd als dienstboden bij de familie Johannes Henricus van IJssel Groothuis mee naar Zaandam. Maaike kreeg in Zaandam zes van de acht kinderen, waaronder overgrootvader Dirk van Katwijk (1871-1942) en zo wordt onze familie voorgezet in Noord-Holland.

In die periode moet Rotterdam eruit hebben gezien zoals weergegeven op onderstaande stadsplattegrond met opstanden van gebouwen en huizen. Deze gravure is gemaakt in 1839 door L.F. Temminck (1804-1861). De kaart is opgedragen aan burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Rotterdam

Plattegrond van de stad Rotterdam uit 1839, vervaardigd volgens de kadastrale plans.
Bron: Nationaalarchief

Rotterdam en omstreken rond 1809–1810

Toen Frans Gerritsz van Katwijk en Margaretha zich in de winter van 1809–1810 in de omgeving van Rotterdam vestigden, kwamen zij terecht in een stad en regio die volop in beweging waren — politiek, economisch en geografisch.

De Franse tijd

Nederland stond al sinds 1806 onder het bestuur van Lodewijk Napoleon, de broer van keizer Napoleon Bonaparte, die als koning van Holland was aangesteld. Het was een tijd van bemoeienis en onrust. De pers werd aan banden gelegd en het napoleontische bewind had kenmerken van een militaire dictatuur en een politiestaat. In Rotterdam was er een groot “wezenoproer” op 14 juli 1809, waarbij een menigte soldaten bekogelde met stenen toen die jongens kwamen ophalen bij het Gereformeerd Weeshuis. De stad gistte van onvrede.

Slechts enkele maanden nadat Frans en Margaretha zich in de buurt hadden gevestigd, veranderde de staatkundige situatie opnieuw drastisch. Op 9 juli 1810 werd bij keizerlijk decreet het Koninkrijk Holland opgeheven en werden de Nederlanden ingelijfd bij het Franse keizerrijk. Nederlanders werden op slag Franse onderdanen.

Een havenstad onder druk

Rotterdam werd in deze jaren getekend door het door Napoleon ingevoerde continentale stelsel, waarmee hij door middel van een handelsembargo het Verenigd Koninkrijk trachtte te verzwakken. Voor een havenstad als Rotterdam, van oudsher afhankelijk van handel en doorvoer, waren de gevolgen ingrijpend. Schepen lagen stil, kooplieden zagen hun inkomsten kelderen. Velen smokkelden desondanks door — soms in het groot, soms in het klein.

Het ambacht Cool

De Broederslaan waar Frans en Margaretha hun intrek namen, lag in het ambacht Cool — een zelfstandige bestuurlijke eenheid net buiten de Rotterdamse stadspoorten. Bij Koninklijk Besluit van 20 september 1809 was het ambacht Beukelsdijk, Oost- en West-Blommersdijk, genaamd Cool, tot een zelfstandige gemeente verheven. In 1811 werd Cool door Rotterdam geannexeerd. Frans en Margaretha vestigden zich daar dus precies in de periode dat Cool nog een eigen bestuur had — een landelijk gebied aan de rand van de stad.

Kenmerkend voor dit gebied waren molens, blekerijen en tuinen, en de bewoners bestonden in hoofdzaak uit boeren. Het was een wereld van windgeluiden, meelstof en seizoensarbeid — heel anders dan het drukke havenfront van Rotterdam zelf.

Molens in de omgeving

Dat Frans werk vond als molenaarsknecht is goed te begrijpen gezien de omgeving. Aan de Coolsingel stond onder meer molen De Hoop, een uitzonderlijk hoge stellingmolen, gebouwd in 1736, die onder andere gerst maalde voor de jenever- en brandewijnsindustrie. Ook in het naburige Delfshaven was de molennijverheid volop in bedrijf. De bedrijvigheid in Delfshaven in de achttiende en het begin van de negentiende eeuw was groot: het aantal korenwijnstokerijen groeide sterk, en de grondstof daarvoor — mout — werd gemalen in ter plekke gebouwde molens. Aan de stadsranden van Delfshaven verschenen in de loop van de tijd acht molens, waarvan de meeste moutmolens waren.

Voor een molenaarsknecht als Frans was er dus werk genoeg in deze regio, waar wind, graan en de jeneverindustrie nauw met elkaar verweven waren.

Zicht op de Coolsingel met aan de rechterkant het Erasmiaans Gymnasium en in de verte molen ‘De Hoop’.
Bron: Beeldbank Rotterdam

LEES MEER OVER

Scroll naar boven