Kamer Delft

Voorgeschiedenis
Het verkrijgen van een eigen kamer voor Delft was in 1602 niet voor de hand liggend. Samen met Delfshaven, gelegen aan de Maas bij Rotterdam, had Delft een beperkte maritieme traditie. Aan de eerste tochten naar Azië deden geen Delftse schepen mee. Pas kort voor de oprichting van de VOC sloten Delftenaren zich aan bij plannen een nieuwe vloot naar Indië uit te rusten. Tijdens de voorbereiding van deze expeditie kwam echter de VOC tot stand. De scheepvaart van de Kamer was geconcentreerd in Delfshaven, waar de werven waren gelegen.

Inleg kapitaal
Door Delftenaren werd een bedrag van f 469.400 ingelegd.

Oostindisch Huis
Het belangrijkste gebouw was het Oostindisch Huis aan de Oude Delft. Pas in 1631 kwam dit door aankoop en verbouwing tot stand. Voordien vergaderde men bij de bewindhebbers thuis of op het Stadhuis. Na 1631 vond een gestage uitbreiding plaats. Een monumentale vergaderzaal voor de bewindhebbers, die nu nog bestaat, dateert van 1722. Elders in de stad bezat de Compagnie vanaf circa 1670 nog enige gebouwen. Eén daarvan is thans opgenomen in het complex van het Legermuseum.

Scheepswerf
De scheepswerf lag in Delfshaven, dat tegenwoordig een deel van Rotterdam is. Aanvankelijk huurde men een terrein aan de Buizenwaal. In 1671 werd dit door de bewindhebbers aangekocht. Reeds een jaar later, in 1672, begon men aan de Nieuwe Haven met de bouw van een pakhuis, het Zeemagazijn. Uitbreidingen van de werf volgden in 1706 en 1715 toen de VOC twee aangrenzende terreinen van het stadsbestuur huurde. In de periode 1602-1794 liepen bij benadering 111 schepen van stapel.

Genealogie familie van Katwijk
Oostindisch Zeemagazijn te Delfshaven, 1779, tekening van Gerrit Groenewegen, Gemeentearchief Rotterdam